De geschiedenis van Lillo.

Een terp aan de toenmalige oever van de Schelde, meer was het niet.
Om uit te groeien tot wat het nu is, heeft het zich een moeizame weg gebaand doorheen de geschiedenis.
Een trage gestage weg, met maar één doel voor ogen, een mooi dorp worden, waar mensen gelukkig konden zijn.

Reeds in de vroege middeleeuwen was het een plaats met veel beroering, de Noormannen die onze streken plunderden, zagen in de terpen rond Lillo een mooie uitvals basis, om hun strooptochten aan te vatten. Misschien zijn het hun achtergebleven nazaten, die hier op en rond deze terpen, begonnen zijn om te leven van de jacht en visvangst, en later ook van de kleinschalige landbouw. Doch met als uiteindelijk doel, zich een plaatsje veroveren tegen de elementen.

Zo vlug als de middeleeuwse notabelen door hadden dat een stuk ingedijkte polder, veel waart was, zowel aan tienden als aan gratis werkvolk. Kwamen deze zich hier ook vestigen, en werkten (lieten werken) mee aan de indijking van de polders. Een van de grotere, omstreeks 1200, was de Antwerpese schepen, Hugo Nose, die al op 8 september 1225 de tienden ontving van Lillo.

Reeds in 1116 wordt in een handvest al verwezen naar Lillo. Maar de dijken werden of waren niet goed onderhouden met gevolg dat Lillo regelmatig onder water liep, en dat soms voor meerdere jaren, zoals van 1283 tot 1340.De toenmalige inwoners moesten dan hun toevlucht zoeken naar hoger gelegen oorden, zoals Stabroek, dewelke zich omstreeks 1258 van Lillo afscheurde en een eigen gemeenschap vormde.

Het dijkgaafschap van Lillo Stabroeck Berendrecht en Santvliet, gaf in 1225 Hugo Nose aan als bezitter van het domein Lillo. Hij was tevens eigenaar der tienden van Lillo en Vorsel. Opgevolgd, in 1355 door Corstiaen Van Howinen dijkgraaf, tevens eigenaar der tienden van Lillo.

Een sterkte met toren was er reeds in 1300, van Lodewijk Graaf van Vlaanderen, op het grondgebied van Oud Lillo. Deze werdt in 1366 verkregen door ridder Franciscus van Halen, gehuwd met Maria van Ghistele. ( de fam. van Ghistele was ook een van de droogleggers van onze polders) In 1405 werdt deze opgevolgd door, zijn zoon, Jan van Halen. In 1449 gaat het in pand over op Jan Vilain. Om in 1483 overgenomen te worden door Jan Van Montmoreney heer van Nevele, gehuwd met de zus van Jan Vilain, vrouwe Gudula Vilain.

In 1514 wordt het hele zaakje verkocht aan ridder Karl Poitiers heer van Dormant. Maar zoals het toen meer de gewoonte was, verkreeg jonker Joseph van Montmoreney, ( zie de naams verandering van de grote V naar de kleine v)in 1526 terug alle rechten en tienden van de gemeente.

Op 25 augustus 1533 kocht ridder Eustanius Cocquiel alle rechten van Lillo, mede met het dijkrecht het recht op visvangst en jacht in de polders en op alle weelen, ook de jacht en visvangst op en aan de dijken langs de Schelde. En natuurlijk ook alle tienden, doch een tiende moest toen reeds afgestaan worden aan de kerk te Oud Lillo.


Hij schonk het op 1 april 1554 aan zijn schoonzoon ridder Paulus van den Daele, om in 1612 over te gaan naar jonker Paulus Van Den Daele heer van Lillo en Berlaer. Het bleef onder de familie van den Daele toen jonker Paulus van den Daele in 1612 het roer overnam. Gevolgd door zijn zuster Anna van den Daele dewelke gehuwd was met kapitein Nicolaes Massieu. Die het op hun beurt daargaven aan hun zoon jonker Peeter van den Daele Massieu in 1624
.

Dat al die edelen niet van onbesproken gedrag waren leert ons het verhaal van de van Daeles.
Jan van Daele was een koopman winkelier te Antwerpen, die na een mooie rijkdom opgebouwd te hebben, in 1479 stierf, en zijn aardse goederen overliet aan zijn zoon Pieter. Dewelke de zaken nog uitbouwde, en zich de titel van mercenier (meisenier= een erfelijk juridisch statuut) toe eigende. Hij mat zich ook een wapenschild aan hetwelke een onderdeel vormde van het latere wapen van Lillo.

De wildeman met rondas en knots en de 3 sterren, zijn nog steeds een onderdeel van het huidige wapenschild. Wel met dit verschil dat: de wildeman, bij Van Dale, de knots met de linkerhand vasthoud rustend op de rechterschouder, en op het wapenschild van Lillo, de knots met de rechterhand vasthoud rustend op de linkerschouder. En ook de 3 sterren zijn bij van Dale met 8 punten en op het wapenschild van Lillo met 6 punten.



Nu komen we aan de grootse bon vivant van de familie, Paulus van Dale. Deze kreeg het mooi opgebouwd geheel van goederen en gelden in de schoot geworpen. Hij vermaakte zich met expedities naar Afrika en voornamelijk de Canarische eilanden. Hij bezat eigendommen in Antwerpen Hoboken Ekeren en Lillo,en had er overal, tot zelfs in Stabroek, prachtige buitenplaatsen laten bouwen. Hij publiseerde regelmatig handelsoverzichten, had een wisselkantoor, waar bankspeculaties op grote schaal plaats vonden, we spreken hier van +/- 1510.

Hij was zelfs zo goed dat Karel V persoonlijk op zijn buitenverblijf kwam, om hem een bezoek te brengen.
Hij bereikte zijn hoogtepunt toen hij op 23 april 1554 de titel van ridder verkreeg. Doch reeds in 1564 moest hij reeds leningen aangaan,en hypoteken op zijn goederen nemen. Stilaan herstelde hij zich, in 1580 verloor hij haast zijn geheel vermogen, doch met de steun van zij kinderen kwam het niet tot een faillisement.
Hij stierf in 1595 op het eiland Palma, zonder kapitaal. Zijn kinderen aanvaarden zelfs zijn nalatenschap slechts " onder voorrecht van boedelbeschrijving"
Doch de indruk op de bevolking was zo groot dat er over hem fabelachtige verhalen de ronde deden.
Zo vertelde men van hem, dat, toen Karel V bij hem op bezoek kwam, hij het haardvuur aanstak met schuldbekentenissen, die een reusachtig bedrag vertegenwoordigden, en zodoende de keizer zijn verplichtingen kwijtschold. Het volk echter droeg hem geen goed hart toe, zoals bv. bij een graan schaarste, hij zoveel graan had verworven dat zijn zolder scheurde, en het graan op de straat viel, men meende dat het straffe gods was.
Behalve dat hij een vurig speculant was, werd hij op een gegeven moment beschuldigd vals geld in omloop te hebben gebracht, en zich met ketterij bezig te houden.
Toen Paulus dit vernam vreesde hij voor zijn "kraag"( = nek) want hij vroeg "purge crimineel" aan.
Wat hield dat in?

Volgens de oude Antwerpse gebruiken, kon iedere poorter, die van enig misdrijf werd beticht, verzoeken zijn onschuld voor de vierschaar te mogen bewijzen. De beschuldigde riep dan zijn aanklagers op om voor de burgemeester en schepenen te verschijnen om woordelijk hun beschuldiging te herhalen. Verscheen er echter niemand, dan werd hij onschuldig verklaard en kon vrij uitgaan. Op 15 december 1564 was de uitspraak in deze zaak.


"Judicatum dat soo verr noch heere noch partye oft ymant anders en comparere dominis sedentibus, die en voers,heer Pauwelen van Dale ticht ofte aensprake doet ter causen voers. Dat deselve heer Pauwel van Dale van den voerscreven delicte sal syn ende blyven, quyte ende vermert van desen daghe ten eeuwigen daghen, ende dat tegen achtervolgende eene yeghelycen sal wesen geimponeert een eeuwich geswych."

Was hij werkelijk onschuldig?!? Niemand weet het en er staat verder niets op schrift. Maar het is wel eigenaardig dat zijn broer hem onterfde, dus zijn deel werd rechtstreeks aan zijn kinderen doorgegeven.

Stilaan verschuift de tijd, en komen we in de gouden eeuw van Vlaanderen en de Nederlanden van de prins van Oranje.

Dit wordt de tijd voor Lillo van bezettingen oorlogen en onder water staande polders.
Nadat de prins van Oranje op 28 februari 1578 het plan opvatte om een schans te bouwen, aan de Schelde oever te Lillo. Begon voor onze gemeente een oorlogstijd die, met enkele tussenpozen zou duren tot 1839.

Intussen kreeg Lillo ook zijn zegel en wapenschild. Dit gebeurde op 12 juni 1709.


De ontleding is: Gedeelte 1° van zilver met een plompenblad van sinopel, hetgeen is Massiue.
                            Gedeelte 2° doorsneden a) van goud met een wildenman, in vleeschkleur van voren gezien, gekroond met loof van sinopel, houdende in de rechtehand een knots van zilver rustende op zijn schouder, in de linkerhand een rodas van hetzelfde, b) van sabel met 3 sterren met 6 stralen van zilver, hetgeen is van Daele. Het schild houdend, 2 elkaar aanziende vogels in natuurlijke kleur en gesteld op een gelelied, van onderen toegespitst kruis. Dit alles geplaatst op een boom van sinopel.

Met bijgaande oorkonde:

Wij Emaniel Peres, Drossaert, Philippus Meerts, Jochem vanden Eynden, Geerardus Vervloet, Jan De Boey, David Lenaerts, Jan Pauwels ende Hendriek Panis, schepenen der Heerelijckheyt van Lillo ende Zuytlant, verclaeren ende certificeren mits desen op den eedt gedaen ende gepresteert in het aencomen onser officie, dat wij om te voldoen aen sijn Majesteits plackaet van de 29 May lestleeden aen ons toegesonden, hebben gevisiteert alle de huysen, schueren, solders, keeten, geheel het disttrickt van onse voorscreven dorpe van Lillo ende bevonden drij duysen een hondert drijenvijftig vertelen graen, bestaende in terwe, kooren,geerst, haver ende boonen ingevolgen den bovenstaende leyst daer van door ons schepenen geformeert intecken der waerheyt soo hebben wij schepenen boven genoemt hier onder onse dorps Zegel doen op drucken ende bij onsen geswooren secretaris laeten onderteckenen den 12 Junius 1709.

Getekend Cornelius Hendricus Wolff (secretaris) Locus Sigilli. ( plaats van het zegel)

Het was een groot ping pong spel,het ging van Nederlandse handen over in Spaanse terug naar Nederland om vervolgens Frans, Nederlands, Oostenrijks, Brabands en onder de Luikse vrijwilligers terecht te komen.Terug naar Oostenrijk, Frankrijk even naar de Engelsen en dan terug naar de Nederlanders. Om uiteindelijk in 1839 over gedragen te worden aan België.

En tijdens ieder beleg of schermutseling werden onze polders onder water gezet, om de vijand niet de kans te geven om het fort van de landzijde aan te vallen. Onze inwoners moesten telkens hun biezen pakken en hoger gelegen gronden opzoeken.

Na deze tijd kwam een periode van relatieve rust.De dijken en sluizen werden terug opgebouwd en vernieuwd.De boeren konden terug ploegen zaaien en oogsten, de middenstand kreeg een boost en de werknemers kregen meer mogelijkheden om in hun onderhoud te voorzien.

Het gemeentebestuur van het toenmalige Lillo, wilde zo vlug mogelijk af van het militaire verleden van de gemeente. In 1856 werdt er nog een nieuwe kazerne gebouwd maar dat was dan ook het laatste militair gebouw. Het gemeentebestuur liet de volledige noordwal en de twee aangrenzende sterpunten, volledig afbreken. Ze liet een dreef aanleggen aan de achterzijde van het fort en een derde sterpunt verdween bij de aanleg van de haven, zoals we ze nu kennen. Verder bouwde men ter hoogte van de geniesluis, een loskade voor suikerbieten, vanwaar per luchtspoor de bieten naar het suikerfabriek van Oud Lillo werden vervoerd. Na de grote economische terugval in de 20er 30er jaren verdween dit fabriek, de machines en het personeel werd overgeplaatst naar de Henegouwse gemeente Granglise.
Voor onze gemeente een grote terugval, doch in 1937 kwam de heer Truyman naar Lillo Kruisweg met een rozen en anjer kwekerij, die de economie terug wat opkrikte.

Nog twee groote wereldbranden zouden ons land teisteren, doch het fort van Lillo was hierbij van geen tel.
De omwalling de huisvesting en de bewapening was te oud en niet meer afdoende om de vijand te kunnen tegenhouden. Het getrokken geschut maakte dat de afstanden van het kanon tot aan het inslagpunt opgetrokken was van enkele honderde meters tot 10 kilometer. Wat de oorlogs voering sterk veranderde. Zoals ons leger spijtig genoeg in 1914 aan den lijve moest ondervinden. Lillo werdt nog wel gebruikt als mobilisatie punt doch had geen slagkracht meer. Enkel op het einde van de tweede wereldoorlog stonden er nog batterijen opgesteld om de Duitse V bommen af te schieten, wat niet wilde zeggen dat Lillo niet in de klappen deelde liefst 143 V bommen vielen op onze gemeente. Getuigen de veele drenkplaatsen in onze polders.

Na de IIde wereldoorlog braken gouden tijden aan. De boeren breide hun landbouw en veestapel uit, voor de werkmens was er werk in overvloed. En de gemeente vaarde wel tot 1953.
Een groote stormvloed zette een groot deel van Nederland en Vlaanderen onder water. Lillo deelde ook in deze slag, met een dodental van 3 mensen. Maar de mens is flexibel en weer werden de dijken hersteld en de boer hij ploegde voort.


Tot in 1958 Antwerpen, weer,roet in het eten kwam gooien, een haven uitbreiding slokte Austruweel, Wilmarsdonk, Oorderen, het grootste gedeelte van Lillo en verder de mooie polders van Berendrecht en Zandvliet op.


Hier kon men niets tegen doen, een voor een verdwenen de huizen en met hen hun bewoners, het kanaal baande zich traag een weg door onze vette polders de rest werd ondergespoten en veranderde in een groote zandbak, dewelke bebouwd werd met fabrieken. Lillo maakte plaats voor Degussa Monsanto een gedeelte van Bayer enz...

 

Nu, 2016 staat er weer een verandering in de pipeline, Antwerpen wil Lillo Fort terug uitbouwen zoals het anno 1800 was. Waarom?!? Liefst zouden wij het restant van Lillo behouden zoals onze vaders en voorvaders het gewenst hebben, weg met het militaire geheel, hou je aan de normen en waarden van diegene die je deze grond ontnomen hebt. Of is het om de geschiedenis van Lillo weer te herschrijven zodat er enkel Lillo Fort overblijft?

En hoe wil men een fort promoten wat in niets meer beantwoord aan datgene van 1800.
Enkel de "witte huisjes" zijn van voor 1800. De "Abri" ( bij het binnenkomen van Lillo) is van 1810 evenals "Het Kruitmagazijn" dus hebben 29 jaar gedient in het fort. De "kazerne" (huidige loften) zijn gebouwd door het Belgische leger en hebben nooit aan de fort oorlogen deelgenomen, enkel voor mobilisatie van het leger. Dus een fort willen oprichten met een kakkefonie van gebouwen, meestal nog met de slechte benamingen (zoals de comandeurswoning en het Landshuis, deze gebouwen stonden op een andere locatie) is voor mij een brug te ver. Dat Antwerpen zich wil profileren als redder van ons erfgoed, is voor mij niet goed te maken, met wat ingrepen dewelke de mooie aanblik van onze gemeente beschadigen.

Vele mensen zijn er tevreden mee, daar ze ofwel denken aan een nieuwe haven een eigen parkeerplaats of de waarde van hun woning. Doch denken niet aan de geschiedenis die deze gemeente meegemaakt heeft en nog moet ondergaan.

De toekomst zal het uitwijzen.


 

 

We werken verder aan de geschiedenis, maar langzaam aan om zeker niets te vergeten.